ACCUEIL

PAUL FELIX ingenieur, architect

 

Paul Felix is geboren in Oostende in 1913.

Hij studeerde in 1937 af aan de Leuvense Universiteit als een van de eerste ingenieur-architecten in Vlaanderen.

In 1938 debuteerde hij als architect met een school in Slijpe. Na de oorlog bleef zijn werk aanvankelijk nog vrij traditioneel, tot dit in 1950 een radicale ommezwaai maakte naar het modernisme. Wedstrijden samen met jonge collega's waaronder Marcel Molleman waren sterk beïnvloed door Le Corbusier en Gaston Eysselinck.

Het ontwerp voor een watertoren in Melle in 1951 vormde een definitieve doorbraak naar een logische architectuurbenadering die vanuit doorgedreven analyse van de functionele en constructieve opgave tot moderniteit leidde.

 

In 1952 werd hij docent architectuur in Leuven, waar hij samen met collega Georges Pepermans de studentenpedagogie Pius X (1952 -56) ontwierp.

Dit universiteitsgebouw vestigde zijn naam als modernistisch architect.

De kapel was tevens de aanzet van een radicale vernieuwing in kerkelijke architectuur.

In 1955 kreeg hij voor een controversiële woning  ( waarvan de bouwaanvraag aanvankelijk werd geweigerd) in Ukkel de prestigieuze Van De Ven-prijs.

In 1957 ontwierp hij zijn eigen appartementsgebouw in Oostende waarin de modernistische methodiek sterk aanwezig is. ( Skelet, band-vensters, plan libre, daktuin...)

Zijn gedrevenheid om als gelovige de vormentaal van de kerk ook drastisch te veranderen culmineerde in het ontwerp van het Clarissenklooster in Oostende in 1957-59. ( Met een latere uitbreiding in 1965.)

In dit klooster ( waarin de onthechte architectuur met een onthechte levenswijze perfect samenviel) is de invloed van het brutalisme sterk aanwezig in een ascetisch maar tegelijk poëtisch gebruik van zichtbeton, bakstenen, cementegels en hout.

Hij werkte hier samen met de kunstenaars Michel Martens ( glaskunstenaar) en Roger Bonduel (kunstsmid). Een samenwerking die later over diverse kerkgebouwen zou voortgezet worden. ( Wespelaar 58-62, Xaverius Antwerpen 62-65, Westmalle 63...)

 

In 1958 werd hij professor aan de architectuurafdeling in Leuven die hij later in 1967 als departementshoofd grondig zou hervormen. De verwetenschappelijking ( positieve wetenschappen én menswetenschappen) van de architectuur zou de pedagogische leidraad vormen van een autonome afdeling binnen de ingenieursfaculteit.

Hij pleitte  voor opname van alle  architectuurscholen in universiteiten, wat pas vele decennia later ook zou gebeuren.

 

De heldere, sobere architectuurtaal die in het klooster werd aangezet werd verder ontwikkeld in een reeks villa's in de jaren 60. ( Waarin hij ook alle vast meubilair voor zijn rekening nam.)

In ruimere complexen zoals scholenbouw: OLV- college in Gistel (1960-61) en  Oostende Lijsterbeslaan ( 1965) en in meerdere universiteitsgebouwen kreeg deze rationele architectuurbenadering verder vorm.

Het Instituut voor Mechanica in Leuven ( 1960-63) en een studentencampus  in Heverlee ( 1961-66), waarin kubusvormige woongehelen in baksteen rond de (constructivistisch ontworpen) open beglaasde Alma III  in een universiteitscampus in een park opgesteld werden, ( ism. Georges Pepermans ) illustreerden deze aanpak.

 

Samen met Jan Tanghe, Jan  Dejaeger en C.Vanderplaetse werd in 1957-65 de campus voor de Provinciaal Technische School en het Magdalenazwembad ontworpen in Kortrijk.

 

Halverwege de jaren 60 kwamen het Pastoraal en Theologisch centrum in Antwerpen ( 1965-75) en het vormingscentrum te Dworp ( 1964-73) tot stand.

Beide campussen werden  in een brutalistische vormgeving ontworpen die een meer plastische en expressieve constructieve tektoniek hanteerden in open relatie met de  natuur. Kerken in Waregem (1965-67) en Aalst ( 66-71) en het gemeentehuis van Gentbrugge (1968-73) sloten de jaren 60 af.

 

Vanaf 1968-80 volgden fase 1 en 2 van het ziekenhuis Gasthuisberg in Leuven  in samenwerking met Jan Delrue. ( De eerste fase ook i.s.m. Jan Tanghe.)

Ook het cultuurcentrum Scharpoord te Knokke ( 1968-71), het stedelijk zwembad in Oostende ( 1968-75) ( i.s.m. Tanghe ), de Provinciale bibliotheek te Hasselt ( 1970-78)  en het administratief centrum in Oostende (1975-81)  volgden in de jaren 70.

Stedelijke inpassingen waarin zichtbeton en eerlijk en onopgesmukt materiaalgebruik domineerden.

Deze omvangrijke complexen illustreren een veelzijdige aanpak van architectuur die Paul Felix als een 'morele plicht' zag ' in dienst van de concrete mens'.

 

In zijn lessen architectuurtheorie pleitte hij ervoor dat architectuurontwerp niet met het artistieke ego van een architect te maken heeft, maar vanuit veelzijdige invalshoeken wetenschappelijk diende benadert te worden waarin functionaliteit, constructie, omgeving, vormen-syntax én betekenis een rol speelden.

'Creativiteit  zonder wetenschap is zoveel als onverantwoordelijkheid'.

Reeds in 1971 pleitte hij ook voor 'duurzaamheid als een kwaliteit voor de toekomst'.

Hij legde ook steeds de nadruk op  teamwork. ' Architectuur resulteert steeds uit een samenspel van factoren die buiten het bereik liggen van één persoon.'

 

Eind 1978 moest hij zijn activiteiten plots stopzetten wegen ziekte. Hij was toen 64.

Zijn laatste werken werden door zijn bureau, dat door zijn zoon Marc Felix werd overgenomen, voltooid.

Hij stierf begin 1981.

 

 

COPYRIGHT STICHTING PAUL FELIX

© Atelier Jespers - Erfprinslaan 149 Avenue du Prince Héritier -  Brussel 1200 Bruxelles

Contact : Jean-Francois Declercq +32 475 64 95 81- Elsa Sarfati +33 6 10 84 27 48  - jf@atelierjespers.com